Situatie: 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17

Situatie 1

Een toevoer in een gevel ten opzichte van een hoger of even hoog gelegen afvoer in een hoger gelegen dakvlak en een toevoer in een dakvlak met een helling gelijk aan of groter dan 23° ten opzichte van een hoger of even hoog gelegen afvoer in een hoger aangrenzend dakvlak met een helling kleiner dan 23°.

boven

Situatie 2

Een toevoer in een gevel ten opzichte van een afvoer in een lager gelegen aangrenzend dakvlak en een toevoer in een gevel ten opzichte van een afvoer in een lager gelegen gevel, waarbij de gevels worden gescheiden door een dakvlak. Voor een inspringende gevel moet de lengte van de verbindingslijn tussen de afvoer tot de eerst bovengelegen dakrand minder dan 1 m bedragen.

boven

Situatie 3

Een toevoer in een gevel ten opzichte van een hoger of even hoog gelegen afvoer in een gevel.

boven

Situatie 4

Een toevoer in een gevel ten opzichte van een lager gelegen afvoer in een gevel.

boven

Situatie 5

Een toevoer in een dakvlak ten opzichte van een hoger of even hoog gelegen afvoer in een dakvlak, allen met een helling kleiner dan 23°.

boven

Situatie 6

Een toevoer in een dakvlak ten opzichte van een hoger of even hoog gelegen afvoer in hetzelfde dakvlak of een hoger gelegen aangrenzend dakvlak met een helling gelijk aan of groter dan 23°.

boven

Situatie 7

Een toevoer in een dakvlak met een helling gelijk aan of groter dan 23° ten opzichte van een lager gelegen afvoer in hetzelfde dakvlak of een lager gelegen aangrenzend dakvlak.

boven

Situatie 8

Een toevoer in een dakvlak of gevel ten opzichte van een afvoer in een achtergelegen dakvlak of gevel waarbij tenminste één van de dakvlakken een helling gelijk aan of groter dan 23° heeft.

boven

Situatie 9

Een toevoer in een gevel of dakvlak ten opzichte van een hoger of even hoog gelegen verticale afvoer in een tegenoverliggende gevel of een tegenoverliggend dakvlak en een toevoer in een gevel of dakvlak ten opzichte van een hoger of even hoog gelegen verticale afvoer in een horizontaal dakvlak gelegen tussen de gevel of het dakvlak en een tegenoverliggende gevel of een tegenoverliggend dakvlak.

boven

Situatie 10

Een toevoer in een gevel of dakvlak ten opzichte van een lager gelegen verticale afvoer in een tegenoverliggende gevel of een tegenoverliggend dakvlak en een toevoer in een gevel of dakvlak ten opzichte van een lager gelegen verticale afvoer in een horizontaal dakvlak gelegen tussen de gevel of het dakvlak en een tegenoverliggende gevel of een tegenoverliggend dakvlak.

boven

Situatie 11

Een toevoer in een gevel of dakvlak ten opzichte van een hoger of even hoog gelegen horizontale afvoer in een tegenoverliggende gevel of een tegenoverliggend dakvlak met een helling gelijk aan of groter dan 23°.

boven

Situatie 12

Een toevoer in een gevel of dakvlak ten opzichte van een lager gelegen horizontale afvoer in een tegenoverliggende gevel of een tegenoverliggend dakvlak met een helling gelijk aan of groter dan 23°.

boven

Situatie 13

Een toevoer in een dakvlak ten opzichte van een afvoer in een hoger gelegen gevel.

boven

Situatie 14

Een toevoer in een dakvlak ten opzichte van een afvoer in een lager gelegen gevel en een toevoer in een dakvlak met een helling kleiner dan 23° ten opzichte van een afvoer in een lager aangrenzend dakvlak met een helling gelijk aan of groter dan 23°.

boven

Situatie 15

Een toevoer in de gevel ten opzichte van een hoger gelegen of even hoog gelegen afvoer in een aangrenzende of versprongen gevel waarbij de hoek ß tussen de twee gevels in het horizontale vlak gelijk is aan of groter is dan 180°.

Situatie 16

Een toevoer in de gevel ten opzichte van een lager gelegen afvoer in een aangrenzende of versprongen gevel waarbij de hoek ß tussen de twee gevels in het horizontale vlak groter dan of gelijk is aan 180°.

boven

Situatie 17

Een toevoer in de gevel ten opzichte van een aangrenzende gevel waarbij de hoek ß tussen de twee gevels in het horizontale vlak kleiner is dan 180°.

boven