Beantwoording kamervragen Eerste Kamer over de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen

Minister Ollongren heeft in een brief van 18 pagina's de diverse vragen van de Eerste Kamer over de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen beantwoord. Of de Eerste Kamer hiermee voldoende beantwoording heeft om in te stemmen met de Wet, zullen we voor juni dit jaar weten.

Veel antwoorden zijn niet meer dan een iets uitgebreidere toelichting op wat al eerder is geschreven. Vooral het onderwerp Leges blijft naar ons idee echt veel te vaag. Met de komst van de Omgevingswet waarbij het aantal vergunningen naar verwachting ook nog verder zal gaan dalen is het onmogelijk om als bevoegd gezag het VTH werk te kunnen blijven financieren door de Legesinkomsten van bouwaanvragen. Ook wordt niet beantwoord wat voor de minister de criteria zijn om voldoende vertrouwen te hebben om het wetsvoorstel te laten ingaan. Het is namelijk wel erg belangrijk dat er bij het ingaan van de Wet van Vlieland tot Vaals wel voldoende kwaliteitsborgers zijn erkend die de kwaliteitsborging ook kunnen gaan uitvoeren.

Pieter Plass, die het dossier erg kritisch volgt heeft in een column het volgende over de beantwoording van de vragen van de Eerste Kamer geschreven.

2 april 2019 Bespreking van de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 maart 2019 inzake Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (34453, M)

Ollongren beantwoord vragen van de Eerste Kamer over de Wkb

Op 25 maart 2019 heeft de minister vragen van de Eerste Kamer inzake de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen beantwoord.

Gelet op het feit dat er vanaf juli 2017 tot heden eigenlijk niets is veranderd, anders dan in de categorie hoop, heeft beantwoording geen nieuwe inzichten opgeleverd.

Het is vooral verheldering van wat al bekend mag worden geacht.

De uitzondering is nadere uitleg over het bestuursakkoord met VNG. De minister geeft op dat onderdeel een zeer ontwijkend antwoord. Het begint met een uitleg over wat een bestuursakkoord is en dat dergelijke akkoorden goed werken binnen de bestuurlijke verhoudingen. Dat was/is uiteraard de vraag niet. Dat proefprojecten conform de wettelijke setting moeten uitwijzen dat we betere kwaliteit tegen aanvaardbare kosten krijgen, wordt nu door de minister in een ander licht geplaatst. De minister is van mening dat nieuwe proefprojecten vooral zullen bijdragen aan de verdere ontwikkeling van ervaringen en de verspreiding ervan. Met die uitleg wordt impliciet aangegeven dat het wegen van kosten en baten, ondanks dat een dergelijke weging is afgesproken, eigenlijk niet meer nodig is.

De Eerste Kamer heeft goed door dat de wet enkel ziet op activiteiten met een laag risico en al het andere op de lange baan wordt geschoven. De minister geeft aan geen overhaaste stappen te willen zetten en met VNG te gaan bezien wat de mogelijkheden zijn om voor bouwactiviteiten met de echte risico’s iets aan proefprojecten te gaan doen. Tja … wat moet je daar nu weer mee, ‘geen overhaaste stappen’ en nog meer ‘afspraken met VNG’? Er worden helemaal geen stappen gezet en de afspraken met VNG krijgen vooralsnog geen invulling, wetende dat de afspraken al helemaal niet meer haalbaar zijn. Ga dan vooral schermen met nog meer aanvullende ‘afspraken’.

Wat het nieuwe stelsel voor de leges doet blijft ook een terugkerend punt. Volgens de minister gaan die, onder verwijzing naar een inmiddels gedateerd onderzoek, omlaag. In dat onderzoek is uiteraard geen rekening gehouden met taken van gemeenten zoals nu met het bestuursakkoord ‘afgesproken’. Alleen als je in lijn met de wet aan de slag zou zijn, daar ervaring mee zou hebben opgedaan, kun je zinvol praten over hoe dat in taken en daarmee kosten uitpakt. Dat hebben we helemaal niet.

Hetzelfde geldt natuurlijk ook voor zorgen over een toename in de bureaucratie of hoe het zit met het aspect onafhankelijkheid. Hoe dat uitpakt leer je als je er mee bezig bent en dat ga je niet helder krijgen met een briefwisseling.

Het punt is dat de minister de wet verder wil brengen met uitleg, woorden, het uitspreken van verwachtingen, nog nader te maken en nader in te vullen afspraken. Het is vooral gebaseerd op hoop … Het is tijd voor daden.

Hoop is geen strategie ... het is (meestal) uitgestelde teleurstelling

Het meest kenmerkende aan kwaliteitsborging is dat je op voorhand helder hebt waar je aan gaat voldoen, dat ook nakomt en toetsbaar maakt. Pas dat als uitgangspunt eens toe op de benadering die nu wordt gevolgd in het verder brengen van deze wet ... zo gaat het helemaal niet.

Hoe anders zou het zijn als je al die tijd, moeite, geld had besteed aan een standaard voor kwaliteitsborging waar de bouw, gemeenten en private kwaliteitsborgers aan hebben te voldoen, geen 10+ verschillende ‘instrumenten’, geen onnodige bureaucratie. Eén manier van doen waarbij je kunt differentiëren in je leges bij de aanvraag van een bouwvergunning, heb je dat niet aantoonbaar georganiseerd dan betaal je gewoon extra. Hoe anders zou het zijn als je begint met de echte risico’s, waar het eigenlijk om te doen is!

Ik ben teleurgesteld. Ik vind het bij voortduring in nette bewoordingen om de hete brij blijven draaien minder gepast. Je doet iets of je doet het niet, je komt je afspraken na en je zorgt dat je duidelijk bent.

Buiten dat ... er is naar mijn mening nog niet een gemeente klaar voor wat mogelijk komen gaat.

Ik herhaal het nog maar een keer. Er is geen plan B en de politiek is niet te porren voor gericht sturen op risico’s. In dit licht is de Wet kwaliteitsborging, ondanks dat het een draak is, het best haalbare op dit moment. Mijn advies aan de Eerste Kamer: zeg “Ja” onder de voorwaarde dat er voor inwerkingtreding voldoende vertrouwen (concreet en meetbaar) moet bestaan dat het stelsel leidt tot betere bouwkwaliteit tegen aanvaardbare kosten.

We wachten weer af ...

Neutraler is het persbericht dat we over de beantwoording van de vragen lezen op de website van het Instituut voor Bouwkwaliteit

Op 25 maart 2019 heeft Minister Ollongren de schriftelijke vragen van de Eerste Kamer van 9 maart jl. over de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen beantwoord.

In de beantwoording gaat de minister nadrukkelijk in op de wijze waarop de aansprakelijk voor gebreken nu en na invoering van de Wkb werkt. Van belang is dat het ook na invoering van de Wkb aan de opdrachtgever is om aan te tonen dat er sprake is van een gebrek. Alleen als dat het geval is, is het aan de aannemer om te bewijzen dat een eventueel gebrek niet aan hem is toe te rekenen. De minister geeft aan dat er bijvoorbeeld geen sprake van toerekenbaarheid kan zijn als een door de aannemer gegeven waarschuwing door de opdrachtgever in de wind wordt geslagen.

Naast aansprakelijkheid van de aannemer en adviseurs wordt in de brief uitgebreid ingegaan op de onafhankelijkheid van kwaliteitsborger, de gevolgen voor de leges, proefprojecten, het bestuursakkoord en de relatie tussen werkzaamheden van gemeenten en kwaliteitsborgers.

Op de vraag van het CDA waarom de wet eerst moet worden aangenomen alvorens met proefprojecten gestart kan worden, geeft de minister een antwoord dat waarschijnlijk bij alle partijen gedragen zal worden: zonder wet geen duidelijkheid! Uit de antwoorden blijkt dat dit ook voor het ministerie zelf het geval is: een groot deel van de resterend punten kan en zal pas kunnen worden ingevuld nadat er duidelijkheid is over de wet.

De Eerste Kamer is voornemens de wet nog voor installatie van de nieuwe Eerste Kamer (11 juni 2019) te behandelen.

 

Bron: Rijksoverheid 03-04-2019